De marionet

Er was eens een jongen die Roy heette. Roy was slim en had het op school goed kunnen doen, maar Roy had een probleem met zijn woede. Elke dag kon Roy in een ogenblik veranderen van heel rustig zijn tot woedend worden. Als dat gebeurde, sloeg Roy andere kinderen, schold hij ze uit en vloekte hij.

Dan kreeg Roy problemen met de meester, maar als hij straf kreeg, moest hij lachen. Hij dacht dat hij de baas over zijn woede was.  “Ik doe precies wat ik graag wil doen,” mompelde Roy tegen zichzelf toen hij voor de zoveelste keer naar het kantoortje van de directeur werd gestuurd. “Niemand zegt mij wat ik moet doen.” Roy stond te lachen, terwijl hij wachtte tot de directeur hem binnen zou roepen. Hij had zichzelf ervan overtuigd dat hij boos wilde zijn; hij dacht dat iedereen hem zag als een sterk en onafhankelijk persoon.

Terwijl hij buiten het kantoortje van de directeur zat te wachten, begon Roy te luisteren naar de stemmen die hij door de deur heen kon horen. Toen hoorde hij zijn naam noemen. “Roy is een marionet”, hoorde hij iemand tegen de directeur zeggen. Roy herkende de stem als die van zijn gymnastiekleraar.

“Je hebt gelijk,” antwoordde de directeur, “elk kind in zijn klas kan op elk moment aan Roy’s touwtjes trekken. Dan doet Roy precies wat ze willen. Als ze Roy - de marionet - uitschelden, gaat hij ze altijd slaan. Ze weten precies wat ze moeten zeggen om Roy kwaad te krijgen. Dan komt Roy in de problemen en wordt hij weer naar mijn kantoor gestuurd. Als dat gebeurt, lachen de andere kinderen Roy achter zijn rug uit, want zij hadden de macht om aan zijn marionettentouwtjes te trekken. Roy denkt dat hij onafhankelijk is, maar in werkelijkheid is hij een marionet.”

Roy vond het niet leuk om dit allemaal te horen, want hij dacht dat hij een stoere bink was en dat alle andere kinderen hem bewonderden. Hij werd echt vreselijk kwaad, nu hij wist dat de andere kinderen hem uitlachten omdat hij een marionet was. Roy kende het verhaal van Pinokkio en kon het plaatje van hoe iemand aan Pinokkio’s touwtjes trok, voor zich zien. Hij had ook in de zaal gezeten toen er op school een marionettenvoorstelling gegeven was op het toneel. Deze poppen zaten met hun armen, handen, voeten en hoofd vast aan touwtjes. Degene die aan de touwtjes van de marionetten trok, was de baas over elke beweging van de pop.

“Ik ben geen marionet!” zei Roy tegen zichzelf, maar de tranen in zijn ogen lieten zien dat hij er niet zeker van was.

De directeur had Roy zo lang bij het kantoortje laten wachten dat hij in slaap viel. Toen hij sliep, zag Roy in een droom dat hij inderdaad een marionet was en dat de andere kinderen aan zijn touwtjes trokken. Plotseling wakker schrikkend, voelde Roy zich niet zo’n stoere bink meer. “Dit is echt eng,” zei hij. “Ik wil geen marionet zijn.”

Nadat Roy met de directeur gepraat had, ging Roy terug naar de klas. Hij moest alsmaar nadenken over wat hij moest doen, zodat hij geen marionet meer zou zijn. “Ik moet veranderen, zodat niemand meer aan mijn touwtjes kan trekken,” beloofde Roy zichzelf. “Ik kan wel bedenken wat ik moet doen.”

De volgende dag scholden sommige kinderen Roy uit. De oude Roy zou hen gestompt hebben, maar Roy was aan het veranderen. “Ik ben geen marionet,” zei Roy flink tegen zichzelf en hij liep weg zonder iemand te slaan. “Wat zei hij nou?” vroegen de andere kinderen zich af. Daarom probeerden ze Roy uit te schelden met nog gemenere woorden dan anders, om te proberen hem op te stoken. Toen Roy maar niet ging reageren zoals hij anders altijd deed, waren zij het die kwaad werden.

“Nu ik niet langer een marionet ben, zijn zij degene die kwaad worden en win ik. Misschien zijn die kinderen wel mijn marionetten,” zei Roy tegen zichzelf.

De volgende dagen probeerden de andere kinderen van alles en nog wat om Roy van zijn stuk te brengen. Ze wilden dat hij in de problemen kwam en naar de directeur gestuurd zou worden, maar niets van wat ze probeerden, lukte. Roy had de touwtjes tussen hem en de andere kinderen doorgesneden. Het lukte hen niet meer om aan zijn touwtjes te trekken; Roy had zijn touwtjes weggedaan. Hij was enorm veel wijzer geworden toen hij in de gaten kreeg dat de kinderen zijn gedrag zó konden sturen dat hij steeds in de problemen zat.

Na een paar dagen hielden de kinderen er mee op om te proberen aan Roy’s touwtjes te trekken, want ze kregen in de gaten dat Roy veranderd was. Hij was niet langer de marionet van iemand. Toen Roy de manier waarop hij zich gedroeg, veranderde, kreeg hij vrienden. Hij vond het leuk om naar school te gaan en deed het daar goed.

Op een dag vertelde Roy’s meester dat ze met een klasseproject een marionettenshow zouden geven voor de school. Roy gaf zich op als vrijwilliger om met één van de marionetten spelen. Dit hielp hem te blijven begrijpen dat alleen echte marionetten touwtjes hebben en vastbesloten te zijn dat hij nooit meer iemands marionet zou worden.

©1995  Nancy Davis, Ph.D.

Naar bovenTerug

Itek Webmedia