Thor

Er leefde eens lang geleden in een stadje hier niet ver vandaan een grote, harige hond. Deze hond had een heel plezierig leven. Hij woonde bij een gezin dat veel van honden hield; hij had altijd genoeg te eten en kreeg lekkere sappige botten als er iets bijzonders was. Het gezin noemde de hond Thor, omdat ze wilden dat hij inbrekers bang zou maken en moedig zou zijn. Maar Thor was een heel vriendelijke en lieve hond, die het grootste deel van de dag in zijn tuin liep te rennen; hij vond het heerlijk om eekhoorntjes achterna te zitten of om lekker in de schaduw te liggen slapen.
De buren hadden ook een hond, die Dinky heette. Dinky hoorde al heel, heel lang bij Thors leven. Elke ochtend keek Thor er naar uit om naar de schutting te rennen, waar hij aan de ene en Dinky aan de andere kant heen en weer kon rennen, net zolang als de schutting was. Ze blaften naar elkaar, hijgden en jankten samen en speelden soms zelfs bij elkaar in de tuin. Dinky hoorde zo bij Thors leven dat het gewoon leek dat hij er altijd zou zijn, wachtend bij de schutting om hem te begroeten.

Op een morgen rende Thor zoals hij altijd deed naar de schutting, maar er was iets veranderd: Dinky kwam niet tevoorschijn. Thor bleef de hele dag zitten wachten en uitkijken bij de schutting met een steeds verdrietiger wordende snuit. Nog steeds geen Dinky te zien. Nu hadden de bazen van Thor begrepen dat Dinky dood gegaan was, maar ze wisten niet hoe ze aan Thor duidelijk moesten maken wat er gebeurd was. Uiteindelijk brachten ze Thor naar de tuin van de buren, zodat hij Dinky kon zien voor hij begraven werd. Thor snuffelde en begon toen te janken; hij begreep dat Dinky was dood gegaan.

Maar ook al wist hij dit, zijn pijn ging er niet van over. Thor kreeg last van pijn in zijn hart, die alsmaar groeide. Hij wilde niet meer eten en ging niet meer achter de eekhoorntjes aanjagen. Elke keer als hij naar de schutting keek, werd Thor er aan herinnerd dat Dinky dood was en dan rolde een dikke traan over zijn snuit. Zijn bazen probeerden hem voor nieuwe speelgoedjes te interesseren, in wandelingen of sappige botten, maar Thor voelde zich niet getroost.

Op een dag toen Thor weer naar de schutting keek en hij zijn verdriet weer voelde, kwam er een jong hondje de tuin in rennen. Thor schrok geweldig. Hoe durfden de buren te denken dat ze Dinky konden vervangen?! Vastbesloten om geen aandacht aan de nieuwkomer te schenken, rolde hij zich op in de schaduw van een oude boom en viel in een diepe, onrustige slaap.

Toen Thor sliep, verscheen Dinky in een speciale droom om tegen zijn hart te praten.

“Je voelt je verdrietig omdat je mij mist en je mist me omdat je op de verkeerde plaats naar me uitkijkt. Zoek mij niet buiten; ik ben hier, in je hart.”

Luisterend naar de woorden van zijn vriend merkte Thor dat zijn hart gevuld werd met een gevoel dat hij nog nooit eerder had gehad; een gevoel dat tegelijkertijd zowel pijn deed als goed voelde. In deze droom maakte Thor genoeg plaats in zijn hart voor hen allebei. Daarna praatten Dinky en Thor nog een lange tijd met elkaar, op de manier zoals wie van elkaar houden dat doen.

Toen Thor wakker werd, rekte hij zich uit en geeuwde hij; plotseling merkte hij dat het jonge hondje verlangend door de schutting naar hem staarde. Toen hij terugkeek naar het hondje, merkte Thor dat er een nieuw gevoel in hem groeide. Hij zat daar, opnieuw denkend aan zijn droom en liet de speciale boodschap duidelijk worden in zijn hart. Toen, heel langzaam, liep Thor door de tuin. En met een speciale groet, die alleen honden kunnen begrijpen, stak Thor zijn snuit door de schutting en likte hij het harige kopje van het jonge hondje.

 “Eens kende ik een hond die Dinky heette,” zo vertelde Thor aan de puppy. En terwijl hij dit zei, voelde hij hoe Dinky glimlachte.

© 1988

Nancy Davis, Ph.D. and Karen Custer, LCSW-C.

Naar bovenTerug

Itek Webmedia