Het verdrietige stinkdier

Er was eens lang geleden een eenzaam stinkdiertje. Hij was eenzaam, ook al woonde hij in een bos waar heel veel andere soorten dieren leefden. Er woonden konijntjes, vossen, muizen en beren. Er waren grote vogels en kleine vogels en veel verschillende knaagdiertjes. Zelfs in het beekje zwommen veel verschillende soorten vissen.

Het stinkdiertje had zijn best gedaan om vriendjes te worden met elk dier in het bos. Maar zodra het zwart witte diertje dicht bij de andere dieren kwam, riepen ze “Oh, daar komt Stinkie aan! Getsie! Ren voor je leven!” Dan renden ze allemaal weg en lieten ze het stinkdiertje verdrietig en alleen achter.

“Ik haat mezelf!”, huilde het stinkdiertje op een dag, toen de anderen hem weer uitlachten en hard wegrenden. “Ik wou dat ik nooit als stinkdier geboren was. Waarom begrijpen ze niet dat ik mijn vrienden nooit onder mijn vieze lucht zou sproeien? Ze geven me gewoon de kans niet om uit te leggen hoe ik ben. Ik wil alleen maar hun vriendje zijn!”

Terwijl hij daar zo alleen en eenzaam zat, begonnen de tranen langzaam over zijn wangen te rollen. Elke keer weer probeerde het stinkdiertje vriendjes te worden met de andere dieren, maar niemand wilde dicht bij hem komen. Niet één van de dieren gaf hem de kans om uit te leggen dat hij nooit zijn vieze lucht op hen zou sproeien. Elke keer als hij naar ze toeging, lachten ze en renden ze weg. Het stinkdiertje werd steeds verdrietiger. Na een hele tijd waarin het verdriet een deel van zijn leven was, begon het stinkdiertje te geloven dat verdrietig zijn nou eenmaal hoorde bij het stinkdier zijn.

Op een dag, toen hij snuffelend door het bos liep, op zoek naar eten, hoorde het ongelukkige stinkdiertje een vreselijk gegrom en bange piepjes. Glurend van onderuit een bosje, zag hij een rode vos die drie konijntjes in een hoek gedreven had en van plan was de konijntjes als avondeten op te eten. Zonder er aan te denken hoe gemeen de konijntjes in het verleden tegen hem hadden gedaan, zei het stinkdiertje tegen zichzelf: “Ik denk dat ik hen kan helpen!” Hij rende de open plek op, waar de vos de konijntjes in de hoek geduwd had. De vos, die heel druk bezig was met nadenken over zijn lekkere maaltje, had helemaal niet in de gaten dat het stinkdiertje naast hem was komen staan. Het stinkdiertje kwam nog dichterbij, richtte heel zorgvuldig en - whoosj! - spoot zijn stinkspray recht in de ogen van de vos.

Met een kreet van schrik rende de vos het bos in, jankend en met zijn poten en zijn snuit wrijvend over de grond om te proberen de afschuwelijke lucht van hem af te wrijven. Hij was zijn eten helemaal vergeten.

Ook al was de vos nu verdwenen, de sterke lucht van het stinkdiertje hing nog tussen de bomen. De konijntjes keken om zich heen, zagen het stinkdiertje en begrepen dat hij hun levens had gered. Ze dachten niet meer aan uitlachen en wegrennen. Ze holden snel naar het stinkdiertje, omhelsden hem en bedankten hem, terwijl op hetzelfde moment tranen van opluchting over hun wangen rolden. Terwijl ze weg liepen van het bosje waar de ergste vieze lucht nog hing, verontschuldigden ze zich voor de manier waarop ze hem vroeger behandeld hadden. Vandaag hadden ze van deze ervaring geleerd op een andere manier naar het stinkdiertje te kijken. “Het is verbazingwekkend”, zeiden ze tegen elkaar, “hoe iets dat zó kan stinken goed kan zijn.”

Zowel de konijntjes als het stinkdiertje hadden die dag iets over vriendschap geleerd. De konijntjes hadden geleerd dat vrienden verschillend kunnen zijn in grootte, vorm of geurtjes en het stinkdiertje had ontdekt hoe je van de verdriet af kon komen.

Naar bovenTerug

Itek Webmedia